Voeding van de liftinstallatie
De elektrische voeding van de liftinstallatie kan als gecombineerde voedingskabel worden uitgevoerd. Eveneens moet een analoge telefoonlijn aanwezig zijn ten behoeve van de alarminstallatie van de lift.
Normen en verantwoordelijkheid ten aanzien van de plaatsing en van de levering
De voeding dient overeenkomstig NEN 1010 te worden uitgevoerd.
De elektrotechnisch installateur is verantwoordelijk ten aanzien van het gebruikte materiaal en de plaatsing van de voedingskabel door het gebouw.
De situering van de voedingskabel
De voedingskabel mag door de liftschacht naar de machineruimte lopen. De plaats van deze voedingskabel in de schacht wordt op de opstellingstekeningen van de liftinstallatie aangegeven.
Het is niet toegestaan vreemde leidingen in de liftschacht aan te brengen. Onder vreemde leidingen wordt verstaan: leidingen die niet bij de liftinstallatie behoren.
Eisen t.a.v. het materiaal van de voedingskabel
De voedingskabel dient als 5-aderige kabel te worden uitgevoerd (3 fasen; nul en aarde).
De voedingskabel dient zo gedimensioneerd te zijn dat de in de opstellingstekening opgegeven elektrische energie zonder grote spanningsverliezen naar de machinekamer kan worden verplaatst (tolerantie voor kracht voeding maximaal 5 % en voor lichtvoeding maximaal 2 %). Bij toepassing van een gecombineerde voedingskabel voor kracht- en lichtstroom mag het spanningsverlies maximaal 2 % bedragen.
Hoofdschakelaar en lichtverdeelinrichting.
Tenzij de liftinstallateur de verdere elektrotechnische voorzieningen verzorgt dient de voedingskabel op een hoofdschakelaar met groepenkast te worden aangesloten. Wanneer de voedingskabel een gecombineerde kracht- lichtvoedingskabel betreft dient een kracht- /licht verdeelinrichting te worden verzorgd.
De hoofdschakelaar dient als vergrendelbare hoofdschakelaar in de "stand uit" te worden uitgevoerd.
De elektrotechnische voorzieningen van een brandweerlift
Voor brandweerliften gelden extra voorwaarden, hiervoor wordt verwezen naar bijlage I.
De groepenkast
Voor de groepenkast te rekenen op de volgende groepen:
Cabineverlichting, cabineventilator, wandcontactdoos (WCD) op de cabine;
- Schachtverlichting;
- Schachtverwarming (indien toegepast);
- Machineruimte verlichting, WCD in de machineruimte;
- Machineruimte verwarming (indien toegepast);
- Ventilatie kleppen/ ventilator (indien toegepast).
De zekeringwaarde dient te worden afgeleid van de gegevens die op de opstellingstekeningen van LTF worden aangegeven. Waarden opgegeven in een offerte of een opdrachtbevestiging dienen als richtwaarde te worden beschouwd en niet als definitieve waarde.
De schachtverlichting
Mits anders overeengekomen wordt de schachtverlichting en de wandcontactdoos door de liftinstallateur geleverd en aangebracht. De schacht dient te zijn uitgerust met een permanente elektrische verlichtingsinstallatie, tenzij de schacht van buitenaf wordt verlicht, zoals bij panoramaliften, waarbij dezelfde lichtopbrengst is gegarandeerd.
De voeding van de schachtverlichting
De voeding van de schachtverlichting dient afkomstig te zijn van een aparte groep van de groepenkast in de machinekamer.
Lichtopbrengst van de schachtverlichting
De lichtopbrengst dient één meter boven het cabinedak minimaal 50 lux te bedragen. De schachtverlichting mag niet worden uitgevoerd door middel van een verlichtingsunit op het cabinedak.
Lichtopbrengst van de schachtverlichting bij machinekamerloze liften
In geval van een machinekamerloze lift dient aanvullend ten opzichte van artikel 13.5.2. te worden voorzien in een lichtopbrengst nabij de aandrijving en besturing van minimaal 200 lux.
Indien de werkzaamheden aan het servicepaneel vanaf de verdieping worden verricht moet de verlichtingssterkte ter plaatse 50 lux bedragen.
Plaats van de lichtpunten in de schacht.
Op maximaal 0,5 m vanaf het schachtplafond en de liftput dient een verlichtingspunt te zijn aangebracht. De verlichtingsarmatuur in de liftput dient volgens IP 54 te zijn uitgevoerd. Voor brandweerliften zijn er aanvullende voorwaarden, hiervoor wordt verwezen naar bijlage I.
Schakelaar van de schachtverlichting
De schachtverlichting dient zowel in de put, als in de machineruimte schakelbaar zijn. Bijvoorkeur door middel van een "hotelschakeling". Uit oogpunt van veiligheid dient de schakelaar in de schachtput waterdicht uitgevoerd te worden.
Wandcontactdoos in de liftput
In de liftput dient een wandcontactdoos met randaarde aangebracht te zijn. Deze wandcontactdoos dient op de elektriciteitsgroep van de schachtverlichting te zijn aangesloten.
De machineruimte verlichting
Mits anders overeengekomen wordt de verlichting, inclusief de noodverlichting door de liftinstallateur verzorgd. De machineruimte dient te zijn uitgerust met een permanente verlichtingsinstallatie.
De voeding van de machineruimte verlichting
De voeding van de schachtverlichting dient afkomstig te zijn van een aparte groep van de groepenkast in de machineruimte.
Lichtopbrengst van de machineruimte verlichting
De machineruimte dient voorzien te zijn van een permanente verlichtingsinstallatie hebben waarvan de lichtopbrengst gemeten op de vloer minimaal 200 lux bedraagt. Tevens moet daarbij noodverlichting worden aangebracht.
Plaats van de lichtpunten in de machineruimte.
De plaats van de verlichtingspunten wordt aangegeven op de opstellingstekeningen van LTF.
Schakelaar van de machinekamerverlichting
Deze verlichting dient direct naast de toegangsdeur/ -luik schakelbaar te zijn.
Wandcontactdoos in de machineruimte
In de machineruimte dient een wandcontactdoos met randaarde aangebracht te zijn. Deze wandcontactdoos dient op de elektriciteitsgroep van de machineruimte verlichting te zijn aangesloten.
De voeding van de elektrische verwarmingsinstallatie
Wanneer een elektrische verwarming in de schacht of in de machineruimte wordt toegepast, dient de voeding vanuit de groepenkast in de machineruimte te worden verzorgd.
Voor de voorwaarden van de verwarmingsinstallatie wordt verwezen naar bijlage H, artikel 14.2.1.1.
De voeding van de elektrisch bediende kleppensectie of mechanische ventilatie
De elektrische bediende kleppensectie of mechanische ventilatie dient te worden verzorgd door de elektrotechnische installateur, tenzij anders overeengekomen.
Wanneer een elektrische kleppensectie of ventilator in de schacht of in de machinekamer wordt toegepast, dient de voeding op een separate groep vanuit de groepenkast in de machineruimte te worden verzorgd.
De liftinstallateur levert een potentiaal vrij contact voor de door derden te verzorgen aansturing van de kleppensectie of ventilator.