LTF - Slim, creatief en rendabel liften bouwen
TECH-brandweer-gebouwontw-FiguurX

Ontwerpgegevens: Brandweerliften volgens EN 81-72

 

Inleiding
In dit hoofdstuk worden de voorwaarden omschreven die van toepassing zijn op brandweerliften. Bij een gebouwhoogte vanaf 70 meter (verder aangegeven als hoogbouw) gelden aanvullende voorwaarden om een gelijkwaardig veiligheidsniveau te creëren als bij gebouwen die lager dan 70 meter zijn. De afwijkende en/of aanvullende voorwaarden kunnen per gemeente verschillen. De Stichting Bouw Research heeft een praktijkrichtlijn opgesteld dat als algemeen handvat kan dienen bij het ontwerp van hoogbouw. In dit hoofdstuk wordt daar waar relevant aanvullende informatie voor de hoogbouw gegeven, gebaseerd op genoemde praktijkrichtlijn. Bij de lokale overheid dient te worden geverifieerd of deze praktijkrichtlijn wordt gehanteerd en wat de eventuele afwijkingen en/of aanvullingen zijn.

Wanneer een brandweerlift
(Bouwbesluit artikel 2.184)
Gebouwen moeten volgens het Bouwbesluit artikel 2.184 worden voorzien van één of meerdere brandweerliften, uitgevoerd volgens de EN 81-72 als er zich een verblijfsgebied bevindt waarvan de vloer hoger ligt dan 20 m boven het meetniveau van het gebouw.
Bij een woonfunctie zal een brandweerlift ook bij lagere hoogtes worden vereist. Dit geldt bij:
• een woonfunctie met minder zelfredzame personen;
• bij een woonfunctie met een gebruikersoppervlak van meer dan 500 m2;

Een verblijfsgebied is een gedeelte van een gebruiksfunctie met tenminste één verblijfsruimte, bestaande uit één of meer op dezelfde bouwlaag gelegen en aan elkaar grenzende ruimten. De ruimten zijn anders dan een toiletruimte, badruimte, technische ruimte of een verkeersruimte.
Het meetniveau is de hoogte van het aansluitende terrein gemeten ter plaatse van de toegang tot het gebouw.

Het aantal brandweerliften
Het aantal brandweerliften in het gebouw wordt volgens het Bouwbesluit artikel 2.185 bepaald door de maximale loopafstand van:
• 90 meter tussen een toegang van een sub-brandcompartiment en de toegang van een brandweerlift.
• 75 meter tussen een toegang van een rookcompartiment en de toegang van een brandweerlift.

In sommige gevallen kan een conflict ontstaan met het feit dat (hoge) gebouwen vaker ontworpen worden met verschillende functies, zoals woningen, kantoren, hotels, winkels etc. De functies worden over het algemeen gescheiden van elkaar en krijgt het gebouw separate liftgroepen per functie. Dit is om redenen dat bezoekers niet kunnen verdwalen en/of dat insluiting wordt voorkomen. Deze visie kan ook bij de toepassing van brandweerliften worden doorgezet.

Bij hoogbouw:
De brandweerliften van de verschillende segmenten van een low- en highrise configuratie moeten een overlap hebben van ten minste drie bouwlagen.
Omdat een brandweerlift door onderhoud of storing kan uitvallen is een back-up voorziening middels een tweede brandweerlift noodzakelijk. Bij een functionele opdeling van het gebouw als in bovenstaande alinea omschreven kunnen er meerdere brandweerliften worden vereist.

Afmetingen van brandweerliften
Brandweerliften moeten een hefvermogen van minimaal 630 kg hebben waarbij de kooi afmetingen minimaal 1,05 x 1,35 m (b x d) bedragen. Indien de brandweerlift doorgaand toegankelijk is en/of evacuatie doeleinden omvat moet het hefvermogen minimaal 1000 kg bedragen waarbij de kooiafmetingen minimaal 1,05 x 2,05 m bedragen.

Bij hoogbouw:
Minimaal één brandweerlift heeft de minimale afmetingen van een brancardlift (kooi minimaal 1,05 x 2,05 m) die op elke verdieping stopplaats heeft.

Stopplaatsen van een brandweerlift
De brandweerlift heeft op alle verdiepingen van het gebouw een stopplaats.

Bij hoogbouw:
Elke verdieping moet bereikbaar zijn met twee brandweerliften die volledig onafhankelijk van elkaar opereren.

Bouwkundige schachtconstructie van brandweerliften

Sterkte eisen van de schachtconstructie
Zie hoofdstuk 5.13.1.

Brand- en rookwerendheid van de schachtconstructie
Zie ook hoofdstuk 5.13.

(Regeling bij Bouwbesluit artikel 4.16)
De liftschacht van een brandweerlift heeft een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar een verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte een meterruimte en een technische ruimte van ten minste 60 minuten.

(EN 81-72: art. 5.1.1, 5.7.1, 5.7.2)
Als er meerdere liften in dezelfde schacht van de brandweerlift zijn aangebracht, dan moet de brandbestendigheid van de gehele liftschacht overeenkomstig de brandwerendheid van de schacht van de brandweerlift zijn uitgevoerd.
Dit geldt ook voor de brandbestendigheid van de deuren van de brandwerende hal en de eventuele machinekamer.

Bij hoogbouw:
Meerdere brandweerliften mogen niet in één schacht worden opgesteld.

Brandwerendheid van de machineruimte
Elk compartiment waarin de liftmachine en bijbehorende apparatuur staan opgesteld moet ten minste dezelfde brandbescherming bieden, als die is gegeven aan de schacht.
Overal waar een machineruimte buiten de schacht en buiten een brandcompartiment is gelegen, moet deze machineruimte ten minste dezelfde brandbestendigheid hebben als de brandcompartiment(en).
Elke verbinding (kabels, leidingen etc) tussen brandcompartimenten moet op soortgelijke wijze zijn beschermd.

Bij hoogbouw:
Brandweerliften mogen niet in één gezamenlijke machineruimte worden opgesteld.

Beperken instroom bluswater in de liftschacht
Het ontwerp van het gebouw beperkt het in de schacht stromen van bluswater, bijvoorbeeld door het voorzien van bijvoorbeeld afwater goten of aanbrengen van afschot in de afwerklaag.

Afvoer van bluswater in de liftschacht
In de liftput moeten adequate voorzieningen zijn getroffen om te waarborgen dat het water niet boven het niveau van de volledig ingedrukte kooibuffer uit kan stijgen. Deze hoogte is afhankelijk van de toe te passen liftconfiguratie.
De voorziening kan bestaan uit een aansluiting op het riool eventueel in combinatie met een (dompel)pomp. De pomp bij voorkeur buiten de liftschacht plaatsen in verband met het verrichten van onderhoud.
De voedingskabel van de pomp mag bij brandbestrijding niet worden onderbroken en dient met functiebehoud te worden aangelegd.
Indien de pomp in de liftschacht wordt geplaatst, kan dit invloed hebben op de schachtafmetingen, dit afhankelijk van de liftconfiguratie en de uitvoering van de pomp.
Eventuele verdiepingen in de liftput voorzien van een afdekrooster om val- en struikelgevaar te voorkomen. De voeding van de pomp aansluiten op een wandcontactdoos in de liftput.

De capaciteit van de afvoer kan worden bepaald met onderstaande formule:
Hier komt nog een formule

Bevestigingspunten voor reddingsmiddelen
In de schacht moeten nabij elke schachttoegang bevestigingspunten worden aangebracht voor het bevestigen van de bevrijdingsmiddelen. De positie en uitvoering is volgens opgave door de lokale brandweer.

Brandbeschermde hal
(Regeling bij Bouwbesluit artikel 4.16, EN 81-72)
Voor elke toegang die door de brandweer tijdens de brand bestrijding wordt gebruikt moet een tegen brand beschermde hal aanwezig zijn.
Voor een ‘tegen brand beschermde hal' dient te worden gelezen als een verkeersruimte, die al dan niet tezamen met de liftschacht een rookcompartiment als bedoeld in artikel 2.16 van het Bouwbesluit is. Dit betekent onder andere (niet limitatief) dat zelfsluitende deuren toegepast moeten worden, maximale waarden voor de loopafstand tot toegangen, minimaal 30 minuten rookwerende constructies.

Het Bouwbesluit zal waarschijnlijk worden aangepast aangezien het voorportaal 30 minuten rookwerend is en voor de brandweerlift wordt uitgegaan van een functionaliteit van minimaal 60 minuten.

Oppervlak van tegen brand beschermde hal
Het oppervlak van de hal voor de toegang wordt bepaald door de eisen ten aanzien van het transport van brancards en/of bedden en de plaatsing van de deuren in de hal.

Dekkingsgebied norm t.a.v. positie tegen brand beschermde hal
Het dekkingsgebied van de norm EN 81-72 beperkt zich tot brandweerliften waarbij de toegangen die door de brandweer bij brandbestrijding worden gebruikt boven elkaar en aan één zijde zijn gelegen in verband met duidelijkheid bij brandbestrijding, zie hiervoor figuur x.

Overliggende toegangen
Overliggende toegangen die door de brandweer tijdens de brandbestrijding worden gebruikt vallen niet onder de dekking van de norm. Bij het gebruik van overliggende ‘brandweer' toegangen zal moeten worden onderbouwd dat middels pictogrammen en eventuele aanvullende instructie maatregelen een gelijkwaardige duidelijkheid wordt verkregen.
Hiervoor zal vooraf overeenstemming met het lokale brandweerkorps moeten worden bereikt. Dit moet door de opdrachtgever (of diens vertegenwoordigende ontwerpende partij) worden verzorgd, het volgt immers uit een bouwkundige indeling.

Bij een tweezijdig toegankelijke brandweerlift moeten de schachtdeuren, die niet worden gebruikt door de brandweer zijn beschermd zodat de componenten van de toegang niet worden blootgesteld aan een temperatuur die hoger is dan 65?C.
Dit betekent dat aan de zijde van de overliggende toegang eveneens een tegen brand beschermende hal moet worden voorzien.

Vluchtroute
(Brandweer)liften mogen geen deel uitmaken van vluchtroutes. Vluchtroutes mogen alleen over vloeren, trappen en hellingbanen gaan en moeten eindigen op een veilige plaats.

Bij hoogbouw:
De brandweerlift bij voorkeur combineren met een vluchttrappenhuis in een brand- en rookbeschermde schacht (zogenaamde ‘brandweerschacht') vanuit het oogpunt van brandbestrijding

Ventilatie van de schacht
De EN 81-72 stelt geen aanvullende voorwaarden ten aanzien van de ventilatie van de liftschacht.

(Bouwbesluit artikel 3.68):
Het Bouwbesluit stelt bij artikel 3.68, lid 2 dat een liftschacht van een brandweerlift een voorziening heeft voor luchtverversing, bestaande uit een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van lucht uit de schacht. Hierbij worden echter geen aanvullende eisen gesteld ten aanzien van de capaciteit.

De voorwaarden ten aanzien van ventilatie als vermeld in bijlage H blijven onverminderd van toepassing.

Bij toepassing van een elektrische bediende kleppensectie respectievelijk mechanische ventilatie dient deze op een separate groep te zijn aangesloten.

Bij hoogbouw:
De schachten van de brandweerliften en de voorportalen (minimaal 30 minuten rookwerend afgescheiden) moeten zijn aangesloten op een overdruk installatie, die de schacht en voorportaal rookvrij houdt.

Elektrische installatie

Aansluiting voeding brandweerlift
(Regeling bij Bouwbesluit artikel 4.1, EN 81-72):
Bij toepassing van de NEN 1010 geldt voor de primaire en secondaire voorziening van elektriciteit voor een brandweerlift als bedoeld onder artikel 5.9.1. van de EN 81-72 het volgende:

1. Voor de voeding van de brandweerlift of bijbehorende groep van liften wordt gebruik gemaakt van een preferente groep of van een aparte leiding die rechtstreeks op de hoofdvoeding van het bouwwerk is aangesloten.
2. De onder 1 bedoelde preferente groep of leiding voert door ruimten waar redelijkerwijs geen brand kan ontstaan (kelder, schachten etc), tenzij op andere wijze beschadiging door brand in voldoende mate wordt voorkomen.
3. In afwijking van het gestelde onder 1 kan de brandweerlift ook door een noodstroomvoorziening worden gevoed. Deze noodstroom voorziening moet binnen 15 seconden na het uitvallen van de reguliere voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom geven om de betrokken brandweerlift ten minste 60 minuten te laten functioneren.

Bij hoogbouw:
De voeding van meerdere brandweerliften mag niet worden gecombineerd.

Aanleg en bescherming voedingskabel
De kabels van de primaire en de eventuele secondaire energievoorziening moeten tegen brand zijn beschermd (minimaal 60 minuten functie behoud) en van elkaar en andere energievoorzieningen zijn gescheiden.
Het is een eerste vereiste dat de bron van de eventuele secundaire energievoorziening in een tegen brand beschermde plaats is ondergebracht.

Schakelaars op de voedingskabel
De schakelaar waarmee de voeding van een brandweerlift kan worden onderbroken, dient uitwendig rood van kleur te zijn.
Alle groeps-, hoofd- en eventuele werkschakelaars waarmee de voeding van een brandweerlift kan worden onderbroken, moeten worden voorzien van een tekstplaat.

Alle aanduidingen, opschriften en bedieningsaanwijzingen dienen goed leesbaar en begrijpelijk te zijn (zo nodig met behulp van pictogrammen of symbolen). Zij mogen niet kunnen worden verscheurd. Zij moeten van een duurzaam materiaal zijn, goed zichtbaar zijn aangebracht en gesteld in de taal van het land waar de lift is opgesteld (zonodig in meerdere talen).

De hoogte van de hoofdletters moet minimaal 10 mm en de hoogte van de kleine letters minimaal 7 mm worden uitgevoerd. Zie figuur y.