In onderstaand overzicht zijn de belangrijkste eisen en voorwaarden samengevat zoals deze in het bouwbesluit worden gesteld t.a.v. liftschachten in (woon)gebouwen. Deze eisen zijn van essentieel belang bij het ontwerp van gebouwen.
Verplichting voor het plaatsen van een lift of opstelplaats
Bouwbesluit tabel 4.3 art. 4.3 t/m 4.8 & 4.19, WK B6)
In tabel 6 zijn de situaties aangegeven waar volgens het Bouwbesluit de aanwezigheid van een liftinstallatie dan wel een opstelplaats voor een liftinstallatie verplicht wordt gesteld.
Woonkeur
Alle woningen met peil boven de 1000 mm boven het peil van de gemeenschappelijke entree dienen bereikbaar te zijn met een personenlift, waarbij de kooi afmetingen minimaal 1,1 x 2,1 (bxd) mm bedragen.
NEN 5080:
Bij een verblijfsgebied in een woongebouw boven de 10 m straatniveau dient een brancardlift (kooi afmetingen minimaal 1,1 x 2,1 (bxd) mm) worden toegepast en bij een verblijfsgebied boven 24 m straatniveau dienen 2 liften worden toegepast (art 3.1.1 en 3.1.2.).
Bij een verblijfsgebied in een woongebouw voor huisvesting voor ouderen boven de 2,5m van straatniveau dient een brancardlift (kooi afmetingen minimaal 1,1 x 2,1 (bxd) mm) worden toegepast en bij een verblijfsgebied boven 10 m straatniveau dienen 2 liften worden toegepast (art 3.1.3 en 3.1.4.).
Bescherming van gezondheid
(Bouwbesluit tabel 4.70, art 4.73)
Omwille van de veiligheid is de liftschacht alléén toegankelijk voor deskundigen en is het niet toegestaan overige apparatuur dan bestemd voor de liftinstallatie hier in onder te brengen. De schachtconstructie dient te voldoen aan het Bouwbesluit met betrekking geluiddemping en brandwerendheid.
Brand- en rookwerendheid van de schacht
(Bouwbesluit afd. 2.12 t/m 2.18):
De eisen ten aanzien van de brand- en rookwerendheid van de schachtconstructie zijn sterk afhankelijk van de indeling van het gebouw (compartimentering). Hierbij moet worden voldaan aan de afdelingen 2.12 tot en met 2.18 uit het Bouwbesluit.
NEN-EN 81-1/-2
Wanneer de schacht het verspreiden van brand dient tegen te gaan dient de schachtconstructie te worden uitgevoerd door middel van volle bouwkundige wanden.
Wanneer de schacht de verspreiding van brand niet hoeft tegen te gaan, hoeft de schacht niet geheel omsloten te zijn. Panorama liften zijn dan toegestaan, zie hiervoor tevens bijlage F.
Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand
(Bouwbesluit artikel 2.184)
Gebouwen moeten volgens het Bouwbesluit artikel 2.184 worden voorzien van één of meerdere brandweerliften, uitgevoerd volgens de NEN-EN 81-72 als er zich een verblijfsgebied bevindt waarvan de vloer hoger ligt dan 20 m boven het meetniveau van het gebouw.
Bij een woonfunctie kan een brandweerlift ook bij lagere hoogtes worden vereist. Dit geldt bij:
- een woonfunctie met minder zelfredzame personen;
- bij een woonfunctie met een gebruikersoppervlak van meer dan 500 m2;
(Regeling bij Bouwbesluit artikel 4.16)
De liftschacht van een brandweerlift heeft een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar een verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte een meterruimte en een technische ruimte van ten minste 60 minuten.
(Regeling bij Bouwbesluit artikel 4.16, NEN-EN 81-72)
Voor elke toegang van een brandweerlift die door de brandweer tijdens de brand bestrijding wordt gebruikt moet een tegen brand beschermde hal aanwezig zijn.
Voor een ‘tegen brand beschermde hal' dient te worden gelezen als een verkeersruimte, die al dan niet tezamen met de liftschacht een rookcompartiment als bedoeld in artikel 2.16 van het Bouwbesluit is.
Bij een rookcompartiment zal de weerstand tegen brand niet voldoende zijn om aan de minimaal vereiste 60 minuten functionaliteit van de brandweerlift te voldoen. Derhalve wordt geadviseerd om de tegen brand beschermde hal uit te voeren als brandcompartiment. Aanpassing van het Bouwbesluit wordt op dit punt nog verwacht.
In bijlage I worden alle voorzieningen vermeld die benodigd zijn bij het toepassen van een brandweerlift.
Bijdrage schachtdeuren aan brand- en rookwerendheid
Indien een liftinstallatie moet bijdragen aan de brand- en rookwerendheid van het gebouw, dit is uiteraard afhankelijk van de indeling van het gebouw, moet rekening worden gehouden met navolgende eigenschappen van de schachtdeuren:
Brandwerendheid:
De schachtdeuren zijn optioneel uitgevoerd met een weerstand tegen brand door- en overslag van 60 minuten en door TNO getest volgens de NEN6069 of NEN-EN 81-58.
Rookwerendheid:
De schachtdeuren hebben enig lekverlies, zijnde een spleet tussen de deurpanelen van 5 mm. Hiermee moet rekening worden gehouden bij het bepalen van de capaciteit van een eventuele overdrukinstallatie. Ter bepaling van het lekverlies per toegang kan tabel 7 als indicatie worden gehanteerd.
Sterkte van de schachtwanden
NEN-EN 81-1/-2:
De bouwkundige constructie van de schachtwanden moet voldoende sterk zijn voor het opvangen van de krachten die door de liftinstallatie op de wanden worden afgegeven. Deze krachten zullen op de werktekeningen worden aangegeven.
De bouwkundige constructie van de schachtwanden moet bestand zijn tegen een kracht van 300 N uitgeoefend loodrecht op een willekeurig punt van binnen- of buitenvlak gelijkmatig verdeeld over een rond of vierkant oppervlak van 5 cm2:
- zonder blijvende vervorming;
- zonder elastische vervorming van meer dan 15 mm.
Het toepassen van venstervlakken (glas) is onder strikte voorwaarden mogelijk zie bijlage B.
De schacht kan vervaardigd zijn van o.a. beton; kalkzandsteen klinkerkwaliteit (200 x 300 mm); een standaard klinker of een stalen skelet. Bij de keuze van het materiaal dient te worden gelet op de akoestische en brandwerende eigenschappen van dit materiaal.
Ten aanzien van geluidwerendheid wordt verwezen naar zie Bijlage A.
Toepassing van materialen als metal-stud panelen, al dan niet, uitgevoerd als constructieve wanden is bij liftschachten niet aan te bevelen. Toepassing van dergelijk materialen in nader overleg met de fabrikant.
Sterkte van de put en plafond
De bouwkundige constructie van de put en het schachtplafond moet voldoende sterk zijn voor het opvangen van de krachten die door de liftinstallatie op de put en het plafond worden afgegeven. Deze krachten zullen op de werktekeningen worden aangegeven.
De vloer van de schachtput moet vlak zijn, met uitzondering van de eventuele opstortingen voor de steunen van de buffers en/of leiders en voor waterafvoer inrichtingen
De schachtput moet ondoorlatend zijn voor het binnendringen van (grond)water.
Sterkte van de put bij betreedbare ruimte
Het is onder bepaalde voorwaarden toegestaan een betreedbare ruimte onder de schacht te situeren. In voorkomende gevallen is het aan te bevelen hierover contact op te nemen met de liftinstallateur.
Voor bescherming van betreedbare ruimte onder de liftschacht moet de putvloer een belasting kunnen hebben van ten minste 5000 N/ m2 en:
1. De put dient de krachten van de liftinstallatie op te kunnen vangen (incl. bij toepassing van een stalen schachtconstructie, inclusief de krachten van deze schacht met afdichtingmaterialen) en:
2. of de buffer van het tegengewicht moet tot op de vaste grond doorlopen,
3. of het tegengewicht dient met een vanginstallatie te worden uitgevoerd.
Maatvoering van de schachtconstructie
De afmetingen genoemd in de offerte en de opdrachtbevestiging zijn voorlopige gegevens. Voor de definitieve maatvoering wordt verwezen naar de op het project afgestemde opstellingstekening(en).
De maatvoering van de liftschacht moet corresponderen met de toleranties zoals aangegeven in de opstellingstekening.
Bouwkundige afwijkingen groter dan genoemd op de tekening hebben gevolgen voor de liftconstructie en kunnen daarmee invloed hebben op het bouwkundige ontwerp van het gehele project. Voor schachten met onbegrensde ruimte (panoramaliften) verwijzen wij naar Bijlage F.
De afmetingen van de uitloophoogte en de liftput diepte
(Bouwbesluit tabel 4.70 art. 4.72)
In het Bouwbesluit zijn de volgende minimale maten voor wat betreft uitloophoogte en putdiepte aangegeven, zie tabel 8.
In het geval de maatvoering van de uitloophoogte en of putdiepte kleiner is dan aangegeven in tabel 3, kan voor liften in bestaande gebouwen en onder strikte voorwaarden dispensatie door de Regionaal Directeur van de Arbeidsinspectie worden verstrekt. De voorwaarden zijn het doorbreken van hoofdfundatiebalken en het omleggen van hoofdriolering met een doorsnede groter dan 1,5 m2.
De bouwkundige dient dit te verzorgen. Neen contact op met KONE over de te realiseren putdiepte.
De uitloophoogte en de putdiepte maken een onderdeel uit van de liftschacht en dienen overeenkomstig de opstellingstekening te worden uitgevoerd.
Bij een liftput diepte groter dan 2500 mm dient een inspectiedeur te worden toegepast (zie Bijlage C). Alleen in die situaties waar het niet mogelijk is een deur te realiseren kan met een werkvloer worden volstaan. Hierover dient contact met de installateur opgenomen te worden.
Toepassen van afvalbeveiliging (hekwerk) op het cabinedak
Bij enkele lift in een schacht:
Er is geen borstwering nodig bij een afstand van de rand van de cabine tot aan de liftschacht (A, B & C) indien deze kleiner is dan 300 mm (zie figuur 8).
Wanneer maat a, b of c groter is dan 300 mm moet een borstwering worden toegepast, zie figuur 9. De hoogte van de borstwering is bepaald volgens tabel 9.
Bij meerdere liften in een schacht:
Wanneer meerdere liften in een gezamenlijke schacht (zonder tussenwand) worden opgesteld zal een afvalbeveiliging nodig zijn (zie figuur 10).
Afhankelijk van de bouwkundige situatie kan een scheidingswand over de volle schachthoogte worden toegepast waarmee wordt voorkomen dat de uitloophoogte vergroot moet worden. Hierover dient contact met de installateur opgenomen te worden.
Scheidingswanden bij meerdere liften in de liftput
Bij meerdere liftinstallaties in één schacht dient te allen tijde een scheidingswand in de liftput te worden aangebracht. Deze wand moet worden aangebracht over de volle schachtdiepte en heeft een minimale hoogte van 2500 mm boven de hoogst gelegen afgewerkte vloer van de onderste stopplaats. De minimale hoogte van de scheidingswand dient te worden verhoogd over de volle schachthoogte indien:
Afhankelijk van de bouwkundige situatie kan een scheidingswand over de volle schachthoogte voorkomen dat de uitloophoogte vergroot dient te worden. Hiervoor dient contact met de liftinstallateur opgenomen te worden.
Maximale stopplaatsafstand en inspectie- /vluchtdeuren
Bij 11 meter stopplaatsafstand, zonder tussenliggende schachttoegangen, dient of een extra schachttoegang of een inspectie-/ vluchtdeur (zie Bijlage C) in de bouwkundige schacht te worden aangebracht. Deze deuren dienen via vaste trappen en bordessen bereikbaar te zijn. De vluchtweg dient te voldoen aan de eisen gesteld aan algemene verkeersruimten zoals aangegeven in het Bouwbesluit.
Ventilatie en verlichting van de schachtconstructie
Voor de verlichting en de ventilatie van de schachtconstructie wordt verwezen naar bijlage G respectievelijk bijlage H.
Bevestiging van de lift aan de schachtwand
De (zware) liftonderdelen worden met ankerbouten bevestigd aan de schachtconstructie. In speciale gevallen kan worden uitgeweken naar ankerrail of andere bevestigingsmethoden.
De bouwkundige constructie dient geschikt te zijn voor onze bevestigingsmethoden. De plaats van de ankerbouten alsmede de grootte en diepte van de te boren gaten worden op onze opstellingstekening aangegeven.