LTF - Slim, creatief en rendabel liften bouwen

Ontwerpgegevens: Situering van liften in gebouwen

 

Algemeen
(Woonkeur B1):
De omvang van een (woon)gebouw is bepalend voor de herkenbaarheid voor de bewoner en bezoeker. Ook de wijze van ontsluiting, de ligging van de gemeenschappelijke voorzieningen, waar onder de liften, en de route van en naar de gebruikersdelen (woning) dienen overzichtelijk en helder te zijn.

Het is van belang dat een lift (groep) gemakkelijk bereikbaar is vanaf de openbare weg. Tussenkomst van handmatig bediende draaideuren is voor personen die afhankelijk zijn van rolstoelvervoer een beperking, daar deze handeling voor deze doelgroep haast niet uitvoerbaar is.

Sleutels en sociale veiligheid van de entree van een (woon)gebouw
(Bouwbesluit 2.211; WK B.2.2; Warenwet):
Met het oog op veiligheid moet de hoofdentree van een woongebouw worden afgesloten door middel van een sleutelslot.

Om in geval van opsluiting snel toegang tot de lift te kunnen krijgen dient een duplicaat sleutel van de deuren die de toegang naar de lift ontsluiten, aan de onderhoudsdienst te worden verstrekt. Indien de algemene hoofdentree permanent door een portier wordt bewaakt, dienen de sleutels op een plaats opgeborgen te worden die bij de portier bekend is. Sleutels dienen te worden voorzien van een label.
Bij het bepalen van de route vanaf de toegang van het gebouw tot de liftschacht en/of liftmachineruimte moet worden voorkomen dat de onderhoudsmonteur in het gebouw opgesloten kan raken.
Indien de onderhoudsdienst niet in het bezit is van de benodigde sleutels kan dit betekenen dat het bevrijden van opgesloten passagiers onacceptabel lang zal duren!

Plaatsing liftschacht t.a.v. de hoofdentree van een gebouw
(NEN 5080; NPR 5081):
De liftschacht dient nabij de hoofdentree van het gebouw te zijn gesitueerd, zie hiervoor de voorbeeld opstellingen van figuur 2 op pagina 19. De lift is op maximaal 10 meter afstand van de hoofdingang / hoofdentree en zichtbaar vanuit de entree geplaatst.

Loopafstanden: plaatsing liftschacht t.a.v. toegangen
(Bouwbesluit art. 4.8, Handboek van Toegankelijkheid, NEN 5080; NPR 5081):
De loopafstand tussen de toegang van een woning en van een lift bedraagt maximaal 90 meter. Zie ook figuur b.

Bij toepassing van een brandweerlift in een gebouw is de maximale loopafstand tussen de toegang van de brandweerlift naar:
- de toegang van een subbrand-compartiment maximaal 90 meter;
- de toegang van een rookcompartiment maximaal 75 meter.

De situering van liften en trappenhuizen
(Bouwbesluit afd. 2.16, 2.17, NEN 5080; NEN-EN 81-72; NPR 5081)
Bij het opstellen van de liften in het gebouw dient de vluchtweg gegarandeerd te zijn volgens de inrichtingseisen van afdeling 2.16 en 2.17 van het Bouwbesluit, wanneer men de lift verlaat en de betreffende verdieping betreedt (zie tevens paragraaf 5.13).

Bij liften in een groepsopstelling in een woongebouw mag de loopafstand maximaal 4 meter bedragen, dit gemeten tussen het hart van de deuren. Dit in verband met de loopafstand en de sluittijd van de liftdeur.

De opstellingen zoals weergegeven in figuur 3 zijn bij toepassing van brandweerliften afwijkend in verband met de vereiste tegen brand beschermende hal voor de toegangen. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage I.

De bereikbaarheid van de schachttoegang
(BB.; tabel 4.10, 4.11 en 4.12; WK B.2.2., B.6.3.).
De hoogte van algemene verkeersruimten en de toegangen dient minimaal 2300 mm te bedragen (2400 mm volgens WK). Voor de hoogte van de liftdeuren wordt verwezen naar artikel 5.9.
De breedte van de toegangen bedraagt minimaal 0,85 meter.
De breedte van de verkeersroute bedraagt altijd minimaal 0,85 meter, wanneer deze in een toegankelijkheidssector ligt is de minimale breedte 1,2 meter. Bij een woongebouw geldt het minimum van 1,2 meter waarbij ter plaatse van de toegang van een woning en een lift een minimum geldt van 1,5 meter.

Opstelruimte vóór de schachttoegang
(Bouwbesluit tabel 4.12, art. 4.11; WK B.2.2., B.6.5.)
De opstelruimte voor de liftschacht dient aan de volgende afmetingen te voldoen:
De opstelruimte dient aan te vangen op 500 mm naast de sluitzijde van de deur (WK).
Zie figuur 4 t/m7 en tabel 5.

Verlichting vóór de schachttoegang
(Bouwbesluit tabel 2.56, art 2.57; NEN- EN 81-1/2; WK B3.10; B5.6. PK.; G5):
Om struikel /valgevaar te verminderen dient ter plaatse van de schachttoegang een minimale en permanente lichtsterkte van 50 lux op vloerniveau gemeten, aanwezig te zijn. Er mag niet worden gerekend op de lichtsterkte uit de liftcabine. Met andere woorden; de lichtsterkte moet worden bepaald met gesloten schachtdeuren.

Hoogte van (schacht)deuren
(Bouwbesluit tabel 4.10, art 4.11, WK B6.6):
In afwijking van de bouwkundige deuren mogen de liftdeuren een vrije doorgangshoogte van 2100 mm hebben. De deursparing in de bouwkundige schachtconstructie moet wel zijn voorbereid op het toekomstig aanbrengen van een deurpakket met een vrije doorgangshoogte van 2300 mm.
Liftdeuren dienen 2300 mm hoog te zijn (HvT).