Bereikbaarheid van de machineruimte
(Bouwbesluit: tabel 4.75, art 4.77, Warenwetbesluit)
- De bereikbaarheid van de machineruimte dient via algemene verkeersruimten (niet via privé vertrekken) te worden verzorgd.
- Een machinekamer mag via het dak worden ontsloten (zie art 6.8).
- De gehele toegangsroute naar de machineruimte moet vrij van obstakels (bijvoorbeeld opslag materiaal) en hobbels of gaten zijn in verband met struikelgevaar. De vloerafwerking mag niet glad zijn.
De eisen m.b.t. de algemene verkeersruimten
(Bouwbesluit: tabel 2.166, art 2.167 en tabel 4.10 , art. 4.11; WK: art. B3, B5).
- De inwendige ruimte van de algemene verkeersruimten dient te voldoen aan de specificaties zoals is omschreven in het Bouwbesluit.
De verlichting van de algemene verkeersruimten
(Bouwbesluit tabel 2.56, art 2.57; NEN- EN 81-1/2; 1998 WK art. B3.10; B.5.6. PK.; art. G5)
- De lichtsterkte van de gehele toegangsweg naar de machineruimte dient 50 lux (gemeten op vloerniveau) te zijn. Ter plaatse van de toegang naar een machinekamer moet ook een lichtsterkte van 50 lux op de vloer voor de machinekamer gemeten worden.
- Hiermede wordt normaliter voldaan aan 60 lux op 1 m. boven de vloer (WK & PK).
Liften zonder machinekamer
De bovenste stopplaats of daar waar het servicepaneel is gesitueerd wordt zowel in als voor de schacht als machinekamer beschouwd.
De plaats van de besturingskast en de liftmotor
De liftmotor van de machinekamerloze lift is op de bovenste stopplaats in de schacht gesitueerd. De besturingskast is eveneens op de bovenste stopplaats direct naast de schachttoegang gesitueerd.
Toepassing van de besturingskast in de buitenlucht is niet toegestaan in verband met het veilig kunnen verrichten van onderhoud en service. Hierdoor is het in voorkomende gevallen noodzakelijk een volledig gesloten portaal aan te brengen.
Vrije ruimte vóór de besturingskast
De minimale vrije ruimte voor de besturingskast dient ten minste 500 mm breed x 700 mm diep te zijn (diepte richting is gelijk aan de diepterichting van de schacht, zie arcering 1 in tekening. Dit is de werkruimte voor de deskundige). Tijdens service of inspectie werkzaamheden aan de liftinstallatie mag deze vrije ruimte NIET doorkruist worden door een doorgangsroute. Indien zich een doorgangsroute door de werkruimte van 500 x 700 mm bevindt, moet er rondom minimaal 500 mm verkeersruimte om de service / inspectieruimte gereserveerd te zijn voor doorgang van personen e.d. (zie arcering 1 + 2 in tekening 11 of 12).
De ventilatie, temperatuur en verlichting van de machinekamerloze liften
Hiervoor wordt verwezen naar bijlage G en bijlage H.
Vaste trappen als betredingsmiddel tot de machineruimte
De toegang voor personen naar de machineruimte/schijvenruimte dient bij voorkeur geheel te zijn uitgevoerd met vaste trappen. De trap moet zijn voorzien van een reling conform het Bouwbesluit.
Ladders als betredingsmiddel tot de machineruimte
Slechts in die gevallen waarbij het niet mogelijk is om vaste trappen aan te brengen mogen ladders worden toegepast, mits aan de voorwaarden aangegeven in Bijlage D wordt voldaan.
De toegang tot de machineruimte
(Bouwbesluit: tabel 4.10, art 4.12 WK.; B.6.6.; NEN-EN1-1/-2)
De toegang tot de liftmachineruimte moet worden uitgevoerd door middel van een deur of een horizontaal luik. De deur dient vanuit de machinekamer naar buiten te openen. Het luik dient de machinekamer in te draaien.
De afmetingen van de toegangsdeur tot de machineruimte
De toegangsdeur moet een netto vrije doorgang hebben van minimaal 0,85 x 2,10 m (breedte x hoogte). Bij afwijkende afmetingen dient contact opgenomen te worden met de liftinstallateur.
Dorpel van de machineruimte bij hydraulische liften
Bij hydraulische liften dient bij voorkeur de dorpel van de machineruimte om milieutechnische redenen verhoogd te worden, zodat bij calamiteiten de olie niet buiten de machineruimte kan komen.
De afmeting van het vloerluik naar de machineruimte
Het toegangsluik dient een netto vrije doorgang van minimaal 800 x 800 mm (breedte x diepte) diep te hebben, doch bij voorkeur 1000x1200 mm (breedte x diepte).
Bij afwijkende afmetingen dient contact opgenomen te worden met de liftinstallateur.
Constructie eisen van het vloerluik
Het vloerluik in de machineruimte dient uitgebalanceerd te zijn en dient een massa van
1000 N te kunnen dragen op een oppervlak van 200 mm x 200 mm zonder blijvende vervorming. Het luik mag niet naar onder toe openen, tenzij zij zijn verbonden met intrekbare ladders. In de machineruimte moet rond de opening een hekwerk worden aangebracht om te voorkomen dat een persoon in de opening valt.
Scharnieren mogen niet uitgehaakt kunnen worden.
Brandwerendheid van de machineruimte toegang
De toegang van de machineruimte dient brandwerend te zijn uitgevoerd, dit wordt bepaald door de volgens het Bouwbesluit gestelde brandwerendheid.
Voor brandweerliften gelden aanvullende eisen, hiervoor wordt verwezen naar bijlage I.
Geluiddemping van de machineruimte toegang
Om geluidoverlast te voorkomen dient de machineruimte toegang voldoende geluidsdemping te verzorgen, e.e.a. conform NEN 5070.
Afsluiting van de machineruimte toegang
De machineruimte toegang dient te worden afgesloten d.m.v. een cilindersleutelslot welke van binnen uit zonder sleutel te openen is. De machineruimte toegang dient voorzien te zijn van normale handgrepen.
Sleutels
De sleutels en sloten mogen worden uitgevoerd conform het sleutelplan van het betreffende pand. Voor de bereikbaarheid t.b.v. het service- en inspectiepersoneel dient een duplicaat van de sleutel(s) te worden verstrekt aan de onderhoudsdienst. Het is verder toegestaan de sleutels van de machineruimte bij een 24-uur bewaakte portiersloge te bewaren, mits voorzien van een label.
Opschriften
De onderstaande opschriften worden normaliter door de liftinstallateur geleverd. De opschriften zijn in stickervorm uitgevoerd. In die gevallen waarbij deze opschriften door derden worden verzorgd, dienen onderstaande teksten te worden aangehouden.
Alle aanduidingen, opschriften en bedieningsaanwijzingen dienen goed leesbaar en begrijpelijk te zijn (zo nodig met behulp van pictogrammen of symbolen). Zij mogen niet kunnen worden verscheurd. Zij dienen van een duurzaam materiaal te zijn, goed zichtbaar te zijn aangebracht en gesteld in de taal van het land waar de lift is opgesteld (zonodig in meerdere talen).
Op de toegangsdeur / luik van de machineruimte moet een opschrift worden geplaatst met de tekst:
LIFTMACHINE - GEVAAR
Verboden voor onbevoegden
Aan weerszijde van het horizontale luik:
GEVAAR VOOR VALLEN
Sluit het luik achter u!
Aan de buitenzijde van de schacht op de inspectiedeuren of verticaal luik moet het opschrift zijn aangebracht:
LIFTSCHACHT - GEVAAR
Verboden toegang voor onbevoegden
De hoogte van de hoofdletters dient minimaal 10 mm te zijn en de hoogte van de kleine letters dient minimaal 7 mm te zijn.
De liftmachinekamer/ruimte
(Bouwbesluit tabel 4.75, art. 4.76):
De liftmachinekamer/ruimte is een besloten ruimte.
Bescherming van gezondheid
(Bouwbesluit tabel 4.75, art. 4.76):
Omwille van de veiligheid is de liftmachinekamer alléén toegankelijk voor bevoegden en deskundigen. De machinekamerconstructie moet voldoen aan het bouwbesluit m.b.t. geluiddemping en brandwerendheid.
De bouwkundige constructie van de machineruimte
(Bouwbesluit afd. 2.12)
De bouwkundige constructie dient te zijn uitgevoerd met volle bouwkundige wanden over de volle hoogte van de machineruimte en dient vervaardigd te zijn van onbrandbaar materiaal, welke de krachten van de liftmachine, hijsbalk en andere uitrusting opvangen zonder blijvend te vervormen. De materialen mogen geen stof veroorzaken en dienen glad te zijn afgewerkt.
Vloer van de machineruimte
De vloer van de machineruimte dient een slijtvaste vloer te zijn die geen stof veroorzaakt en deze mag niet glad zijn. Bij toepassing van een hydraulische vloeistof (hydraulisch lift) moet de vloer vanwege milieutechnische redenen niet olie doorlatend zijn.
Afmetingen van de machineruimte
(Bouwbesluit art 4.78)
De afmetingen van de machineruimte dienen overeenkomstig de opstellingstekening te worden uitgevoerd.
De liftmachineruimte dient voldoende bemeten te zijn om alle apparatuur in onder te kunnen brengen, inclusief de ruimte om de onderdelen te kunnen controleren en zonodig te repareren. De liftmachinekamer is alléén voor voorzieningen t.b.v. de lift bestemd. Dit betekent dat er geen ‘vreemde' leidingen mogen niet worden doorgevoerd en er geen ‘vreemde' installaties mogen bevinden. Onder ‘vreemd' wordt die kanalen of installaties bedoeld die niet benodigd zijn voor de werking van de liftinstallatie.
Vrije hoogte in de machineruimte
(Bouwbesluit toelichting art. 4.78)
De vrije hoogte dient minimaal 2,0 meter te bedragen.
De vrije hoogte dient overeenkomstig de opstellingstekening te worden uitgevoerd.
Platform of verhoogd deel van de machineruimte
Een platform met een hoogte geringer dan 500 mm gemeten vanaf de vloer van de machineruimte mag zonder trap betreedbaar zijn.
Verhogingen tussen de 500 mm en 1500 mm dienen bereikbaar te zijn middels een vaste trap (vertikaal of onder een hoek tussen de 65º - 75º) volgens de NEN 12437 deel 1 t/m 4. Boven de 1500 mm mogen vertikaal geplaatste ladders niet meer worden toegepast en moeten permanent opgestelde trappen of ladders zijn aangebracht. Er dienen voldoende leuningen aanwezig te zijn ter plaatse van de trap.
Er dient een vrije hoogte op de platforms van minimaal 1800 mm tot het laagste punt van het plafond aanwezig te zijn. Ter plaatse van deze platforms mogen derhalve geen besturingskasten worden gesitueerd (= werkplek), tenzij een vrije hoogte wordt toegepast van minimaal 2,0 m tot onderzijde laagste deel van het plafond (inclusief eventuele hijsbalk). De benodigde vrije hoogte wordt mede bepaald door de toe te passen liftmachine.
Langs het verhoogde moet een hekwerk aanwezig zijn dat demontabel wordt uitgevoerd in verband met hijswerkzaamheden tijdens een eventuele renovatie of vervanging van de machine.
Verlichting van de machineruimte
Hiervoor wordt verwezen naar Bijlage G.
Ventilatie van de machineruimte
(Bouwbesluit art. 3.67, 3.68, 3.69 en 3.73)
Hiervoor wordt verwezen naar Bijlage H.
Hijsvoorziening
In de machineruimte dient een hijsvoorzieningen aanwezig te zijn, hiervoor wordt verwezen naar Bijlage E.
De toegang tot de machineruimte via het dak
De toegangsweg over het dak
Het dak dient via algemene verkeersruimten en door middel van vaste trappen en een normale deur bereikbaar te zijn.
Een toegangsweg naar het dak door de liftmachinekamer is niet toegestaan!
De weg via het dak
De helling van de toegangsweg op het dak of dakvlak mag niet meer dan 50 bedragen
Het pad naar de machinekamer dient uit waterafvoerend en stroef materiaal te zijn uitgevoerd bijvoorbeeld trottoirtegels. Er dienen maatregelen te zijn getroffen om bevriezing van dit pad te voorkomen.
Tevens dienen maatregelen te zijn getroffen om valgevaar vanaf het dak te voorkomen, door aan één zijden van dit pad een borstwering met knieregel met een hoogte van 1000 mm aan te brengen.
Obstakels hoger en langer dan 500 mm dienen voorzien te zijn van een trapje en/of loopbrug. Het overbruggen van hoogteverschillen groter of gelijk aan 1500 mm moet via een vaste trap met hellend vlak van 65º tot 75º.
De verlichting van het pad op het dak
Het pad dient voorzien te zijn van permanent opgestelde lichtpunten met een lichtsterkte van ten minste 50 lux op de pad gemeten. Ter plaatse van de machinekamertoegangsdeur alsmede de toegangsdeur tot het dak dient de lichtsterkte ten minste 50 lux te bedragen. De verlichting dient schakelbaar te zijn bij de entree naar het dak en in de machinekamer door middel van een hotelschakeling.
De toegang tot de machineruimte
De toegang van de machineruimte dient voldoende beveiligd te zijn tegen inregenen alsmede tegen waterdruk vanaf het dak. Het inregenen op schakel apparatuur is voorkomen door een effectieve waterkering voor de deur van de machineruimte te voorzien. Deze waterkering kan bestaan uit b.v. een luifel van voldoende afmetingen in combinatie met een afschot of een afgesloten voorruimte (‘portaal').
Bij hydraulische liften dient de dorpel overeenkomstig art. 6.6.1.1. te worden uitgevoerd.
De toegangsdeur tot het dak
De toegangsdeur moet een netto vrije doorgang hebben van 0,8 m breed x 2,1 m hoog. Bij afwijkende afmetingen dient contact opgenomen te worden met de liftinstallateur.
De afsluiting van de toegangsdeur tot het dak
De toegangsdeur tot het dak dient te worden afgesloten door middel van een cilindersleutelslot die van buiten zonder sleutel is te openen. De toegangsdeur tot het dak dient voorzien te zijn van normale handgrepen. Voor de sleutel van de toegangsdeur tot het dak verwijzen wij u naar art. 6.6.6.