LTF - Slim, creatief en rendabel liften bouwen
TECH-veiligheid-FiguurF

Veiligheidsvoorzieningen in liftschachten; Afzettingen schachttoegangen

 

Inleiding
Valgevaar is nog steeds een van de grootste gevaren bij het bouwen van een lift. Dit gevaar is aanwezig voor zowel de liftmonteur als voor derden die op de bouwplaats werkzaamheden verrichten. Door in de werkvoorbereidingsfase veilige werkplekken te waarborgen, kunnen risico′s, met vaak ernstig letsel, worden weggenomen.

Zolang er bij het aanbrengen en het gebruik van afzettingen een aantal regels worden nageleefd, zorgen deze maatregelen voor een veilige werkplek. De ervaring heeft geleerd dat er toch ernstige ongelukken plaatsvinden op het moment dat elementaire regels worden veronachtzaamd.

Dit hoofdstuk richt zich op de verantwoordelijkheid van zowel de opdrachtgever als de monteurs van de liftenfirma en laat zien welke regels in acht genomen moeten worden om de veiligheid bij het gebruik van afzettingen van de liftschacht te waarborgen.

Risico′s
- het gevaar om van een hoogte door een schachtopening te vallen;
- het gevaar om getroffen te worden door een voorwerp dat door een schachtopening naar beneden valt.

Hoewel het aantal gevaren beperkt is, zijn de omstandigheden waarin het gevaar optreedt zeer verschillend. En juist die omstandigheden bepalen de omvang van het risico. Het beveiligen van een werkvloer waarop wordt gewerkt of waarlangs transportverkeer plaatsvindt, is niet echt problematisch. Het beveiligen van deze werksituaties is altijd. Mogelijk en er zijn vele beveiligingsystemen beschikbaar.

Problematischer is de beveiliging van gevel- en wandopeningen, zoals schachtopeningen, waar werkzaamheden worden verricht. Bij het bouwen van een lift wordt immers ook de schachtopening regelmatig gebruikt als toegang tot de werkplek.

Richtlijnen voor de randbeveiliging
De opening van de schacht moet worden beveiligd met doelmatig leuning- en of hekwerk (zie figuur f en g).
De randbeveiliging wordt als doelmatig aangemerkt, zo luidt beleidsregel 3.16 lid 6, indien:

1. Ten aanzien van de constructie;
- de leuning minimaal 1.10 meter hoog is;
- een kantplank van 15 cm hoog is aangebracht;
- er geen openingen zijn die een kubus van 47 cm doorlaten.

2. Ten aanzien van de sterkte:
- de leuning niet bezwijkt bij een neerwaartse belasting van 1,25 kN;
- de leuning zijdelings niet verder doorbuigt dan 3,5 cm;
- de leuning niet uit een aanwezige bevestiging wordt getild bij een opwaarts gerichte belasting van 0,3 kN

Ook kunnen er hekwerken worden toegepast. Voor deze hekwerken gelden dezelfde richtlijnen.

Uitvoering
Leuningwerk is er in verschillende staanderuitvoeringen, onder andere:

- klemmend om een vloer of ander constructiedeel;
- geschroefd op een vloer of ander constructiedeel;
- geschoven over een uitstekende badding;
- etc.

Voor de toe te passen materialen moet een maximale overspanning worden aangehouden.
Tabel 2 geeft de maximale overspanning aan voor een aantal soorten leuningen. Het gaat hierbij om hout van een goede kwaliteit (constructiehout) en staal FE360.