LTF - Slim, creatief en rendabel liften bouwen

Bouwbesluit in het kort

Er zijn veel vragen en onduidelijkheden omtrent de toepassing van liftinstallaties in gebouwen. Het Bouwbesluit geeft niet alleen voorschriften voor nieuwbouw van gebouwen en bouwwerken maar stelt ook eisen aan bestaande gebouwen en bouwwerken. In het onderstaande overzicht zijn de belangrijkste punten van het Bouwbesluit samengevat, zoals dit op 31 december 1992 is gepubliceerd in het Staatsblad 680 en per 1 oktober 1992 van kracht geworden.

Hoofdstuk 2; Nieuwe woningen en woongebouwen
Artikel Omschrijving
8.2 Minimaal TD < kooiverlichting als lux 10>
8.3 Noodstroom voor kooiverlichting (1 uur, 1 lux)
16.5 Weerstand tegen rookdoorgang van een half uur tussen brandweerliftschacht en koker, kanaal, schacht of een brandcompartiment.
17.2 Brandweerlift indien verblijfsgebied hoger gelegen dan 20 meter volgens NEN-EN 81-1/2
17.3 Afstand vanaf toegang brandweerlift tot toegang woning op dezelfde woonlaag mag niet meer zijn dan 90 meter
23.2 Het geluidsniveau van een in een gebouw geplaatste lift mag in een woning of in een ander gebouw niet meer bedragen dan 30 dB.
31.5 De luchtverversing in een liftkooi dient een capaciteit te hebben van 6.10³ m³/s per m² kooivloeroppervlakte.
31.8 Luchtverversing van een kooi van een brandweerlift moet plaatsvinden vanuit de schacht.
31.9 Luchtverversing van de schacht van een brandweerlift moet plaatsvinden of direct van buiten of via een gemeenschappelijk trapportaal.
41.1 De toegang van een lift moet 0.85 m. breed zijn en 2.10 m. hoog.
42.2 In of bij een woongebouw met een woonlaag op 3 meter of meer boven de entree dient elke verdieping over een opstelplaats te beschikken voor een lift met een minimale kooiafmeting van 1.05 x 2.05 meter.
42.3a Woongebouwen moeten een lift hebben als de hoogste woonlaag meer dan 12.5 meter boven de entree van het gebouw ligt of,
42.3b Woongebouwen moeten een lift hebben als het een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3500 m² hoger gelegen dan 1.5 meter boven de entree. De maximale afstand tussen de lifttoegang en de toegang van een woning op dezelfde verdieping mag niet meer bedragen dan 90 meter. Het kooivloeroppervlak moet minimaal 1.05 x 2.05 meter bedragen.
42.4a De drempelhoogte tussen een verdiepingsvloer en een liftkooi mag niet meer bedragen dan 2 cm.
43.6 Eventueel moet een lift worden gebruikt met een minimaal kooivloeroppervlak van 1.05 x 1.35 meter als er een groter drempelverschil is dan 2 cm. Tussen vloeren in het bijzonder toegankelijkheidsgebied in een woning met een oppervlak van meer dan 500 m². Dit i.v.m. rolstoelgebruikers.
51.1 Daar waar een lift staat moet deze zijn omgeven door een besloten ruimte, een liftschacht.
51.2 De uitwendige scheidingsconstructie van een liftschacht moet waterdicht zijn. NEN 2778.
51.3a De putdiepte van een lift met een hefhoogte tot en met 50 meter dient 1.4 meter te bedragen.
51.3b De putdiepte van een lift met een hefhoogte groter dan 50 meter dient 1.6 meter te bedragen.
51.4a De schachtkophoogte van een lift met een hefhoogte tot en met 50 meter dient 3.6 meter te bedragen.
51.4b De schachtkophoogte van een lift met een hefhoogte van meer dan 50 meter dient 3.8 meter te bedragen.
51.5 Liftschachten mogen geen liftvreemde leidingen of toestellen bevatten.
52.1 Daar waar een lift aanwezig is dient een besloten liftmachineruimte aanwezig te zijn.
52.2 Een liftmachineruimte moet regenwerend zijn NEN 2778
52.3 Een liftmachineruimte dient een afdoende vloeroppervlakte te bezitten
52.4 Toegang tot de liftmachineruimte mag slechts bereikbaar zijn via een gemeenschappelijke verkeersruimte

Hoofdstuk 3; Bestaande woningen en woongebouwen
Artikel Omschrijving
79.2 Er dient kooiverlichting aanwezig te zijn met een minimale sterkte van 1 lux over een vloerbreedte van 0.5 meter.
85.1 Brandweerschakelaar en voeding van een brandweerlift moeten voldoen aan NEN-EN 81-1/2.
93.2 De luchtverversing van een liftkooi dient een capaciteit te hebben van 6-10³ m³/s per m² vrije kooivloeroppervlakte.

Hoofdstuk 6; Nieuwe niet voor bewoning bestemde gebouwen
Artikel Omschrijving
180.2 Mimimaal 10 lux aan kooiverlichting
180.3 en 4 Noodstroom voor kooiverlichting ( 1 uur, 1 lux)
195 Het geluidsniveau van een lift mag in een niet tot het gebouw behorend verblijfsgebied maar 30 dB bedragen.
202.5 De luchtverversing in een liftkooi dient een capaciteit te hebben van 6-10³m³/s per m² kooivloer oppervlakte.
202.8 Luchtverversing van een kooi van een brandweerlift moet plaatsvinden vanuit de schacht.
202.9 Luchtverversing van de schacht van een brandweerlift moet plaatsvinden of direct van buiten of via een algemene verkeersruimte met trap.
212.6 Hoogteverschillen van meer dan 2 cm. tussen ruimten in de bijzondere toegankelijkheidssector moeten zijn overbrugd door een hellingbaan of lift.
212.7 De kooi dient een minimaal oppervlak te bezitten van 1.05 x 1.35 meter.
220.1 Daar waar een lift staat moet deze zijn omgeven door een besloten ruimte, een liftschacht.
220.2 De uitwendige scheidingsconstructie van een liftschacht moet waterdicht zijn NEN 2778.
220.3a De putdiepte van een lift met een hefhoogte tot en met 50 meter dient 1.4 meter te bedragen.
220.3b De putdiepte van een lift met een hefhoogte groter dan 50 meter dient 1.6 meter te bedragen.
223.4a De schachtkophoogte van een lift met een hefhoogte tot en met 50 meter dient 3.6 meter te bedragen.
223.4b De schachtkophoogte van een lift met een hefhoogte van meer dan 50 meter dient 3.8 meter te bedragen.
223.5 Liftschachten mogen geen liftvreemde leidingen of toestellen bevatten.
221.1 Daar waar een lift aanwezig is dient een besloten liftmachineruimte aanwezig te zijn.
221.2 Een liftmachineruimte moet regenwerend zijn NEN 2778
221.3 Een liftmachineruimte dient een afdoende vloeroppervlakte te bezitten.
 
Hoofdstuk 7; Nadere technische voorschriften voor nieuwe niet voor bewoning bestemde gebouwen.
Artikel Omschrijving
237.2 Brandweerlift moet aanwezig zijn indien zich een verblijfsgebied op meer dan 20 meter boven de entree van een gebouw bevindt.
237.3 De afstand tussen brandweerlift en rookcompartiment mag slechts 75 meter bedragen.
255.2 In een liftkooi dient een verlichtingsinstallatie aanwezig te zijn conform art. 180.1.
255.4 Noodstroomvoorziening voor kooilicht conform 180.3 is voor liftkooien geen eis.
262.2 Logiesgebouw dient indien de toegang van een verblijfsgebied op meer dan 20 meter boven de entree bevindt minimaal over een brandweerlift te beschikken conform NEN-EN 81-1/2
262.3 De afstand tussen een brandweerlift en een toegang van een logiesverblijf mag ten hoogste 90 meter bedragen.
266.2 Het geluidsniveau van een (buiten dat gebouw gelegen) lift mag in een verblijfsgebied van een logiesgebouw niet meer bedragen dan 30 dB.
278.1 De toegang van een lift moet in een logiesgebouw ten minste 0,85 x 2.1 meter bedragen.

Hoofdstuk 8; Bestaande niet voor bewoning bestemde gebouwen
Artikel Omschrijving
295.2 Er dient kooiverlichting aanwezig te zijn met een minimale sterkte van 1 lux over de gehele breedte van de kooivloer.
295.3 Noodstroom voor kooiverlichting (1 uur, 1 lux).
312.2 De luchtverversing in een liftkooi dient een capaciteit te hebben van 6-10³ m³/s per m² kooivloer oppervlakte.